Geschiedenis NutJoure (in het kort)

Departement Joure van de Maatschappij tot het Nut van
’t Algemeen

Op 16 november 1784 werd door de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuijzen de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in Nederland opgericht.

Met als doelstelling: mensen te helpen en te steunen, hen zo nodig voor te lichten op de weg der ontwikkeling en beschaving. Zij tracht dit doel te bereiken door het oprichten en zo mogelijk in stand houden van nuttige instellingen.

In 1792 werd het eerste “Nut” opgericht. Joure moest echter wachten tot 6 februari 1822 op haar Nutsvereniging. Ook deze kwam tot stand vanuit de doopsgezinde gemeente, met hulp vanuit de hervormde gemeente. De vereniging startte met 13 leden en had eind 1822 27 leden, aan wie een contributie van 1 ducaat per jaar werd geheven.

Van de eerste jaren is helaas weinig bekend. In 1839 werd echter een van de belangrijkste initiatieven van het departement ’t Nut Joure gestart: de oprichting van een spaarbank. Namens zes leden van het departement werd een oproep gedaan tot het oprichten van een spaarbank. Dit gebeurde na het failliet gaan van de plaatselijke beleningsbank.

In het uitgegeven manifest geven de oprichters direct aan dat het ingebrachte geld met persoonlijke waarborg van de oprichters gegarandeerd was.

Of, zoals het in het oudste archiefstuk van ’t Nut beschreven staat:

In de Spaarbank bezorgt gij uw geld en gij ontvangt het met voordeel wederom.

Gevolgd door: De lombard maakt u steeds armer en de spaarbank maakt u rijker.

Midstraat naar een pentekening van Maarten Buis, met links de woning waarin de Nutsspaarbank zijn eerste zittingen had.

In de jaren daarna krijgt de spaarbank mondjesmaat meer leden, die elke zaterdagmiddag ten huize van de thesaurier hun “bankzaken” kunnen verrichten. In 1859 komt de spaarbank in zwaar weer en op 16 januari 1861 volgt een herziening van de statuten. De bank krijgt een meer particulier karakter, waarbij de minimuminleg op fl. 0,50 en de maximuminleg op fl. 500,00 wordt vastgesteld. In de jaarverslagen die daarop volgen, valt regelmatig te lezen dat meer grote dan kleine bedragen werden ingelegd en dat de uiteindelijke doelstelling van de spaarbank dus in dat opzicht niet werd gehaald.

Een naamswijziging in 1911 tot “De Spaarbank te Joure”, met als toevoeging “Opgericht door het Departement Joure van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen”, geeft het al meer zelfstandige karakter van de bank aan. Om ook het sparen onder jongeren te stimuleren, werden in 1914 via de schoolhoofden spaarzegels verkocht aan schoolgaande kinderen, zodat ook zij een betere startpositie konden krijgen.

Na het vertrek van de familie Driessen uit villa Jamja nam ook de Nutsspaarbank hier haar intrek.

Villa Jamja met op de voorgrond de koets waarmee dr. Driessen zijn patiënten bezocht.

De bank hield gedurende veertig jaar haar zittingen in “Jamja”, waarna zij op 21 december 1967 haar intrek nam aan de Merk. Per 1 januari 1976 fuseerde zij met de Friese Bondspaarbank te Leeuwarden en ging verder onder de nieuwe naam Bondspaarbank. Deze naamswijziging markeerde, na een periode van 133 jaar, het einde van de Nutsspaarbank.

Naast de oprichting van de “Nutsspaarbank” is ook de oprichting van de Volksbibliotheek een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van het departement Joure van ’t Nut.

In het jaarverslag van 1859 wordt melding gemaakt van een volksbibliotheek. In 1860 worden de eerste kaders uitgezet voor een schoolbibliotheek. Daarna duurt het nog tot 1864 voordat boeken van de Volksbibliotheek naar de schoolbibliotheek verhuizen, naar een kamer in het gemeentehuis aan de Midstraat, die door de gemeente beschikbaar was gesteld.

De nieuwe voorziening bleek in een behoefte te voorzien. In 1872 werden aan 200 jongens boeken uitgeleend. Later mochten ook meisjes boeken lenen. In 1877 wordt melding gemaakt van 208 jongens en 52 meisjes. Bij het uitlenen van de boeken leidde dit meer dan eens tot “volslagen gebrek aan orde bij het uitdelen van de boeken en de machteloosheid waarmee men tegenover een hoop woeste jongens stond.”

De Volksbibliotheek bleef bij dit alles onbewogen en zag een gestage toename van het aantal leden en uit te lenen boeken. In 1902 verdween de naam Volksbibliotheek en was er sprake van de Nutsbibliotheek. Op 1 november 1919 nam ook de Nutsbibliotheek haar intrek in villa Jamja, na jaren van omzwervingen in diverse schoollokalen. Tegen het einde van 1961 kwam er een einde aan de bibliotheek als nutsinstelling. De vorm werd omgezet in de Stichting Openbare Nutsbibliotheek. Dat de naam nog “Nut” bevatte, werd niet akkoord bevonden door de subsidieverstrekkers, zodat de naam in 1962 definitief veranderde in Openbare Uitleenbibliotheek.

Ook het onderwijs in het algemeen werd door het departement ’t Nut Joure een zeer warm hart toegedragen.

Voorbeelden hiervan zijn de tekenschool, een initiatief uit 1859. Naast bouwkundig tekenen bestond er ook een richting handtekenen. Dat initiatief kreeg rond 1870 daadwerkelijk vorm. Met het bouwkundig tekenen wilde het niet erg vlotten, waardoor er meerdere jaren geen les in werd gegeven. Het handtekenen floreerde goed. In 1898 bereikte het aantal leerlingen een maximum, waardoor liefhebbers teleurgesteld moesten worden. Na de aanschaf van villa Jamja en een verbouwing ervan werden de tekenlessen daar gegeven. In 1913 werd een advertentie geplaatst met de aankondiging van de vierjarige Avond-Teekenschool voor Ambachtslieden.

Met opleidingen in: hand- en lijntekenen, vakteekenen voor timmerlieden, meubelmakers, schilders en smeden, rekenen, wiskunde, Nederlandsche taal en administratie, aldus de advertentie.

Ook hier komt de doelstelling van ’t Nut, departement Joure, weer tot uitdrukking in de bijgevoegde tekst in de advertentie: schoolgeld wordt geregeld naar draagkracht.


De toen al bekende Jouster klokkenschilder Roel Otter werd direct in het derde jaar (van oktober tot en met december 1913) geplaatst. Na het vierde jaar (van januari tot en met maart 1914) ontving hij een bewijs van LOFFELIJK ONTSLAG in de richting vakschilderen, die hij met zeer veel vrucht had doorlopen.

Na een aantal moeizame jaren in de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw, met een teruglopend aantal leerlingen, werd in 1959 besloten de Avond-Teekenschool op te heffen. De motivering was dat de ambachtsscholen de taak van de tekenschool hadden overgenomen.

Het Nutsdepartement Joure heeft zich lang en intensief ingezet voor het openbaar kleuteronderwijs. In 1863 wordt in de notulen van ’t Nut gesproken over een vergoeding van 10 gulden aan Rinske van der Veen, als bijdrage aan de huur van haar woning, waar zij onderdak bood aan “kleuteronderwijs”. Deze en andere initiatieven binnen ’t Nut leidden ertoe dat de gemeenteraad in 1868 besloot tot de oprichting van een bewaarschool, op voorwaarde dat ’t Nut jaarlijks subsidie zou geven. In de jaren daarna verbleef de bewaarschool op een aantal plekken in Joure. Zo verhuisde men van ’t Zand naar verschillende panden in de Midstraat. Door de financiële achteruitgang van de gemeente besloot de gemeenteraad in 1933 de bewaarschool op te heffen. Opnieuw moest ’t Nut financieel bijspringen. Het Nutsdepartement nam de school en inventaris over en beheerde de bewaarschool voortaan zelf. Ook nu werd van verschillende locaties gebruikgemaakt, bijvoorbeeld van lokalen van de burgerschool, villa Jamja, lokalen van de Mulo-school aan de Harddraversweg en ruimtes van gebouw Irene aan de Torenstraat. De bouw van een nieuwe kleuterschool was al in volle voorbereiding. Dit leidde tot de feestelijke opening van de Pikestjelp op 10 september 1955, eigendom van de Stichting Nutskleuterschool. Met de groei van Joure werd in 1968 de tweede nutskleuterschool in gebruik genomen: de Einekoer aan de Julianalaan. In 1974 volgde een derde kleuterschool, de Westermar, aan de E.A. Borgerstraat.

Aan deze drukke vrijwilligerstaak van ’t Nut kwam in 1978 een einde, doordat de gemeente deze beheerstaak overnam. Het was een schoolvoorbeeld van de betrokkenheid van het Nutsdepartement bij het wel en wee van de vlecke Joure en haar inwoners.

Naast deze voorbeelden zijn er nog meerdere projecten te noemen waaraan met tomeloze energie is gewerkt, ten behoeve van het welzijn van de Jouster bevolking.

In 1749 stichtte Krijn Wijbrens ten oosten van de huidige Harddraversweg een boomkwekerij, die later door Spike Thijssens Taconis werd voortgezet. In 1927 werd de gehele tuinderij in 32 percelen geveild. Namens het nutsdepartement kocht Oene Tiedes de Jong vijf percelen. De naam Harddraversweg verhult al dat er paardenrennen werden georganiseerd door verschillende café-uitbaters. In de algemene vergadering van 1928 werd dan ook besloten een harddraversbaan met een lengte van 720 meter aan te leggen, die tevens als schaatsbaan kon fungeren. Op 1 oktober 1928 vond op kermismaandag de eerste harddraverij plaats. In de winter daaropvolgend werd de ijsbaan officieel geopend.

 

Loffelijk ontslag klokkenschilder Roel Otter

In 1749 stichtte Krijn Wijbrens ten oosten van de huidige Harddraversweg een boomkwekerij, die later door Spike Thijssens Taconis werd voortgezet. In 1927 werd de gehele tuinderij in 32 percelen geveild. Namens het nutsdepartement kocht Oene Tiedes de Jong vijf percelen. De naam Harddraversweg verhult al dat er paardenrennen werden georganiseerd door verschillende café-uitbaters. In de algemene vergadering van 1928 werd dan ook besloten een harddraversbaan met een lengte van 720 meter aan te leggen, die tevens als schaatsbaan kon fungeren. Op 1 oktober 1928 vond op kermismaandag de eerste harddraverij plaats. In de winter daaropvolgend werd de ijsbaan officieel geopend.

 

Dit gebeurde met een wedstrijd op de korte baan, georganiseerd door de ijsclub “Vlecke Joure”. Tot op de dag van vandaag maken deze en andere verenigingen en stichtingen dankbaar gebruik van dit complex.

Ook bij de realisatie van overige “nutsvoorzieningen” heeft het departement van ’t Nut Joure een flinke stoot in de goede richting gegeven. Na de Eerste Wereldoorlog werden een aantal initiatieven voor de aanleg van leidingwater afgewezen wegens onvoldoende financiële draagkracht. In 1925 sprong het nutsdepartement in de bres met een aanbod aan de gemeente om gedurende tien jaar jaarlijks 1.000 gulden financiële ondersteuning beschikbaar te stellen, zodat de exploitatie van een aan te leggen waterleiding mogelijk werd. Uiteindelijk lag de realisatie van het waterleidingnetwerk in het verlengde van de oorspronkelijke plannen van het Nutsdepartement voor de bouw van een badhuis. Een badhuis dat er uiteindelijk nooit is gekomen, maar de gedachte van persoonlijke hygiëne voor iedereen was hiermee wel gerealiseerd.

In dit kader kan worden gezegd dat het Nutsdepartement met diverse initiatieven heeft geprobeerd de omstandigheden te verbeteren voor plaatsgenoten die door sociale rampspoed waren getroffen. Het gaat om initiatieven die soms succesvol bleken, maar vaak ook niet. Denk aan het oprichten van een mattenweverij, vlasbrakerij en klompenmakerij: initiatieven om via werkverschaffing arbeiders en hun vaak grote gezinnen aan een inkomen te helpen.

Sinds jaar en dag staan de nutsavonden op de culturele agenda van de vlecke Joure. Omstreeks 1840 was er al sprake van voorleesavonden, vooral bestemd voor mensen uit de minder gegoede klasse. Helaas waren die geen succes, omdat het gedrag van sommige toehoorders te wensen overliet. In de daaropvolgende jaren hadden de nutsavonden wisselend succes. In sommige jaren waren deze avonden uitverkocht, bijvoorbeeld wanneer ze werden verzorgd door de rederijkerskamer Elias Annes Borger, met ruim 200 bezoekers per avond. Op andere momenten kon men bijna niemand vinden die belangstelling had voor zo’n avond of die deze wilde verzorgen. In juli 1876 werd men het eens over een nieuwe start. Er zouden vier avonden per jaar worden georganiseerd: twee voor mannen, één voor gehuwden en één voor “gemengde personen”, bij voorkeur met sprekers die lid of inwoner van Joure waren. De avonden kregen verschillende invullingen: van spreekbeurt tot voordracht, filmavond, toneelavond en muziekavond. Al met al is het opmerkelijk dat vrijwel zonder onderbreking ieder winterseizoen een wisselend aantal Nutsavonden kon worden gehouden en nog steeds wordt gehouden.

Sinds de oprichting in 1822 van de “Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, departement Joure” heeft het Nut zich ingespannen om, zoals de heer J.R. Glasz in 1891 beschreef:

De viering van alle mijlpalen werd geheel in stijl van ’t Nut sober gevierd. Niet ongenoemd mag blijven wat tijdens het 150-jarig jubileum tegen het toenmalige bestuur werd gezegd:

Als men de initiatieven van het Nutsdepartement Joure op een rijtje zet dan is het wel duidelijk dat deze steeds op vrijwel alle facetten van het maatschappelijk leven gericht zijn geweest.

Initiatieven die met de veranderende tijdsgeest steeds zijn aangepast aan de toen geldende en ook de huidige omstandigheden.

Menschen te helpen en te steunen, hun zoo nodig voor te lichten op den weg der ontwikkeling en beschaving, ziedaar het schone doel der Maatschappij tot ’t Nut van het Algemeen. Ze tracht dit doel te bereiken door het oprichten en zoo mogelijk in stand houden van nuttige instellingen.

Initiatieven die in 1993 hebben geleid tot het verkrijgen van de landelijke Dr. P.H. Schröder-prijs.

Met als onderschrift:

Als blijk van erkenning voor de uitzonderlijke prestaties van dit departement ten behoeve van de volksontwikkeling

Ondanks de veranderende tijdsgeest heeft het Nutsdepartement mede dankzij voldoende veerkracht zijn bestaansrecht behouden. Veel initiatieven speelden zich op de achtergrond af, maar op de voorgrond zijn de nutsavonden gebleven. Daar wordt een gevarieerd en cultureel verantwoord programma geboden.

 

 

Geschreven door: Feike Vermaning

Copyrights: De Fryske Marren, Friesch Dagblad, Ikzaghet.nl